Oude Geschiedenis

Wat weten we van de geschiedenis rond de Godin Nehalennia?

De Godin Nehalennia werdt tot in de vierde eeuw na nul in Nederland en daarbuiten vereerd waarna Zij met de komst van het Christendom na de vierde of vijfde eeuw langzaam uit het geheugen van de mensheid verdween.
Willibrord (658-739) heeft Walcheren gedurende zijn leven bezocht en heeft hier de heilige beelden van anderen vernield, mogelijk een beeld van Neptunes en van de Godin Nehalennia (zie Wikipedia). De Godin Nehalennia verdween vervolgens ruim duizend jaar uit het geheugen van de mensen gedurende de duistere Christelijke middeleeuwen. Met de vondst van bewerkte stenen op het strand bij Domburg in Januari 1647, kwam de Godin Nehalennia weer langzaam terug in het collectieve geheugen van de mensen. De Godin Nehalennia was totaal onbekend vanuit de overgeleverde geschreven geschiedenis, in geen enkel oud geschrift vinden we een verwijzing naar deze in die tijd toch populaire Godin. Totdat er in Januari 1647 zo'n 40 votiefstenen werden gevonden bij Domburg in Zeeland plus de fundering van een tempel. In Domburg zijn ook votiefaltaren gewijd aan andere Goden gevonden zoals Jupiter, Hercules, Neptunes, de Godin Victoria en één altaar gewijd aan de inheemse Godin Burorina.
De gevonden votiefstenen werden opgeslagen in de Nederlands Hervormde kerk van Domburg, de tempel zou zo'n 900 meter ten noordwesten van de kerk gelegen hebben. Er werden tekeningen gemaakt van de gevonden votiefstenen, gelukkig maar, want de kerk werd in 1848 voor een groot deel door een brand verwoest, waarbij het grootste deel van de votiefaltaren verwoest werd. Slechts enkele votiefstenen zijn in redelijke staat bewaard gebleven, waaronder de votiefsteen helemaal rechts hiernaast die te zien is in het Zeeuwse Museum in Middelburg.

In 1970 doken er weer stenen op met de naam van de Godin Nehalennia uit de Oosterschelde in de buurt van Colijnsplaat. Linksboven is één van deze stenen te zien. Hier lag de grote tempel van Ganuenta, die geheel aan de Godin Nehalennia gewijd was. Er zijn aanwijzingen dat er een nauwe samenwerking bestond tussen de beidde tempels. Bij de tempel van Domburg zijn slechts zo´n 40 votiefaltaren gevonden, mogelijk omdat de locatie pas in de late middeleeuwen onder het duinzand bedolven is geraakt. Bij Colijnsplaat zijn ruim 300 votiefaltaren gevonden, negen grote beelden van de Godin Nehalennia, waarvan er drie nog praktisch volledig. De tempel van Colijnsplaat is vrij vroeg in de tijd door de zee verzwolgen waardoor er veel meer bewaard is gebleven. De kleinst gevonden steen is zo'n 28 centimeter hoog, de grootste is 143 centimeter hoog.
In 1990 is er nog in Tongeren nog een votiefaltaar gewijd aan de Godin Nehalennia gevonden, hier werden veel van votiefaltaren gemaakt (zie Wikipedia).
In de jaren 90 zijn nog tegen alle verwachtingen in drie kleine beeldjes van ongeveer 25 à 30 centimeter groot van de Godin Nehalennia gevonden bij Colijnsplaat.


De Votief altaren

Deze stenen uit de eerste eeuwen na nul worden votiefaltaren genoemd. Votief komt van Votum; de gelofte die men gemaakt had en die ingelost werd met het offeren (schenken) van een votiefaltaar aan de Godin in haar tempel.
Het waren geen brandoffer altaren, de votief altaren zelf waren het geschenk, het offer aan de Godin waarmee de gelofte van degene die het votieraltaar schonk, ingelost werd.
Op de votiefaltaren is de Godin te zien vergezeld van een hond, een mandje met fruit. Op enkele stenen is Nehalennia staand afgebeeld en heeft Zij een voet op een boot. De hoorn des overvloeds die Nehalennia op enkele stenen in de hand heeft duid erop dat Nehalennia een moedergodin zou kunnen zijn en de hond staat mogelijk voor trouw en de reis naar de onderwereld. Op de stenen staan teksen die de Godin danken voor een behouden reis over zee, wat de afbeelding van de boot of soms ook een roer helderder maakt.




De Hoorn des Overvloeds

Op alle votiefaltaren is de Godin Nehalennia afgebeeld met een mandje appels. Ook peren en ander fruit worden op de votiefaltaren afgebeeld. In de oud-Germaanse mythologie is de appel symbool van de voedende liefde en moederborst. Appels staan voor vruchtbaarheid en overvloed. Ook de peer is een oud vruchtbaarheidssymbool. Bij meerdere votiefaltaren is ook een hoorn des overvloeds te zien die de Godin Nehalennia in haar hand houd of die op de zijkant van het votiefaltaar is afgebeeld. De manden die de Godin Nehalennia in haar handen heeft zijn alleen gevuld met appels, de peren liggen vaak bovenop het votiefaltaar en de rest van het fruit vinden we in de hoorn des overvloeds. De appels in het mandje hebben dezelfde betekenis als de hoorn des overvloeds met fruit: vruchtbaarheid en overvloed.


De Hond van de Godin Nehalennia

Op bijna alle votiefaltaren wordt de Godin Nehalennia vergezelt door een hond. De honden op de verschillende votiefaltaren zijn van verschillende grote en verschillend ras, doch meestal een soort windhond. De oude Kelten dachten dat een hond de jachthonden van de onderwereld konden zien en hun daarvoor waarschuwen. De hond kon een reisgezel in het dodenrijk zijn. De hond was al vele eeuwen een trouw gezelschapsdier dat de mensen hielp bij jagen en waarschuwde voor mogelijk gevaar.
Er zijn archeologische vondsten gedaan die duidelijk maken dat de oude Germanen ook honden offerden, in dit geval aan de Godin Holle. Vaak zijn voor dit doel ook kleine beeldjes van honden gebruikt, die op de bodem van bronnen zijn gevonden.
Op enkele van de votiefstenen voor de Godin Nehalennia zien we op de zijpanelen een tafel met daarop een hondenkop afgebeeld.
Mogelijk een variatie van het offeren van een hond in de vorm van een beeldje van een hond. Dat de Godin Nehalennia altijd vergezelt gaat van een hond kan er op duiden dat Nehalennia ook een Godin van de onderwereld is die mensen begeleid op hun laatste reis.


Troon en Baldakijnen

De Godin Nehalennia wordt op veel votiefaltaren zittend op een troon afgebeeld met een schelpvormige overkapping. Soms zit de Godin met haar voeten op een bankje. Op enkele altaren is een stralende zon afgebeeld. Op andere altaren draagt de Godin een broche met een rond zonnewiel. Er is ook een votief altaar waarop de Godin een hanger met een sikkelvormige maanschijf draagt.
Dat de Godin Nehalennia op een troon zit onder een schelpvormig baldakijn afdakje, staat symbool voor een hemelgodin. Deze symbolen duiden er op dat de Godin Nehalennia ook een kosmische Godin is, verheven boven de aardse wereld.
(zie o.a. Goos Blz.228 en v.d.Meer Blz.90-91)


Een Schip en het Roer

Op veel votiefstenen heeft de Godin Nehalennia een voet op een schip geplaatst of heeft Zij een roer in de hand. De vrachtschepen uit de eerste eeuwen na nul waren niet groot en hadden een supergroot roeispaan als roer. De schenker van het votiefaltaar waarop de Godin Nehalennia met een dergelijk roer staat afgebeeld was duidelijk dankbaar dat de Godin het schip terug naar de veilige haven heeft geleid. Nehalennia is hier niet zozeer een beschermster tegen be­drei­gingen van water en wind maar meer een "stuurvrouwe".
De Godin Nehalennia wordt ook met een voet rustend op een ship afgebeeld, wat de Godin tot heerseres en beschermvrouwe van de scheepvaart maakt. (Goos Blz.222-223).


De Votief Altaren

De teksten op de votiefaltaren laten zien dat de votiefaltaren het resultaat zijn van een overeenkomst.
De mensen vroegen de Godin Nehalennia om een gunst en stelde daar een gelofte tegenover.
Na verhoring liet men dan het votiefaltaar maken waarin de gunst vermeld stond en dat de gemaakte gelofte met het maken van het votiefaltaar ingelost was.
De teksten op de stenen luiden meestal: "Naam van persoon" heeft zijn gelofte aan de Godin Nehalennia gaarne en met reden ingelost. Alle votiefstenen zijn dus een betaling voor geleverde diensten door de Godin Nehalennia.
De namen van de personen die deze votiefstenen liet maken zijn grotendeels Keltisch en Romeins hoewel er ook enkele Germaanse namen voorkomen. Van ongeveer 20 personen is de herkomst goed te herleiden; in de inscripties word iemand uit Nijmegen genoemd, vier personen komen uit Keulen, twee uit Trier, andere plaatsnamen die genoemd worden in de inscripties zijn Rouen en Besançon in Frankrijk, Casalea in Spanje en Raurica-Augst in Zwitserland. (Annine v.d.Meer blz.142, Goos, blz.133-142).


Romeinse gewoonte

Het schenken van votief altaren aan een God of Godin voor bewezen diensten is een typisch Romeinse gewoonte.

= wordt aan gewerkt =

Martin Roek